Linux glossarium

linux logo

In dit Linux glossarium hebben we veel voorkomende termen opgenomen waarbij we met een korte beschrijving een uitleg geven van de betreffende term.

API of Application Program Interface

Wanneer een programmeur een applicatie bouwt en daarin gebruik wil maken van functies van andere software dan wordt het aanroepen van die dienst/functie op een gestandaardiseerde manier uitgevoerd. Die gestandaardiseerde manier is feitelijk een protocol. Een protocol is een set van afspraken tussen twee partijen hoe ze onderling informatie kunnen uitwisselen.

Een API is protocol dat beschrijft hoe de applicatiebouwer gebruik kan maken van functies buiten zijn programma. Veelal zullen dat libraries zijn, maar het kan ook een server op het internet zijn die op een gestandaardiseerde manier informatie kan verschaffen.

Zo bestaan er servers op het internet die een API aanbieden waar anderen (programma's of websites) gebruik van kunnen maken. Als voorbeeld: stel dat een websitebouwer wil weten of een bezoeker de Nederlandse of Engelstalige versie van een website getoond moet krijgen. De bouwer van die website kan dit oplossen door het ip-adres van de bezoeker door te sturen via een API naar een bepaalde server die als dienst heeft dat hij bij een ip-adres het land van herkomst er bij zoekt en de landcode (NL, UK) terugstuurt. Op basis van de landcode zal de website bouwer er automatisch voor zorgen dat de opgevraagde pagina in de betreffende taal getoond wordt. Voor de begripsvorming: het aanroepen van de API en het ontvangen van een antwoord gaat zo snel (in miliseconden) dat als je een webpagina opvraagt dit allemaal zonder dat je dit doorhebt op de achtergrond gebeurd. Je hoeft er dus niet op te wachten.

De manier hoe, in dit geval, het ip-adres naar de betreffende server gestuurd moet worden en hoe het antwoord met landcode teruggestuurd wordt is beschreven in een protocol, een set van afspraken en dat wordt in dit geval een API genoemd.

De meeste applicaties maken intensief van libraries en het aanroepen/gebruik maken van de functies in een library zijn beschreven in een API. Je zou gemakshalve kunnen zeggen dat een API een gestandaardiseerde manier is om vragen te stellen en een gestandaardiseerde manier is om op een vraag een antwoord terug te sturen.

Appimage

Een appimage is een applicatie die je kan downloaden en niet hoeft te installeren maar direct kan starten vergelijkbaar met de portable applicaties uit windows (of uit de MS-DOS tijd een applicatie die uit een enkel .exe bestand bestaat en direct kan starten). Meer details in het artikel over appimages.

Een appimage bestaat uit één bestand en het doet zich voor als één programma maar op de achtergrond maakt het de applicatie gebruik van één maar vaak tientallen andere hulpbestanden zoals libraries, maar die zijn als één bestand samengevoegd.

Feitelijk draait de applicatie in een soort afgeschermde container en maakt geen gebruik van andere libraries op je systeem. Daardoor kunnen er ook geen "afhankelijkheidsproblemen" tijdens het intstalleren ontstaan of opgelost worden zoals dat wel het geval is bij gebruik van packagemanagers zoals apt en rpm

Apt

APT staat voor Advanced Packaging Tool. Het is software die het installeren, onderhouden en verwijderen van applicaties begeleid. Deze software wordt gebruikt bij Debian en debian afgeleide distributies zoals Ubuntu en Mint, hoewel Ubuntu liever ziet dat je snap gebruikt.

.deb

Een bestand dat eindigd op .rpm is een installatiebestand voor applicatiesoftware. Dit bestand wordt "uitgepakt" en geïnstalleerd door de apt Package Manager. Software die in .deb vorm wordt aangeboden is primair bedoeld om te gebruiken op Debian en gerelateerde distributies.

Desktop Environment (DE)

Letterlijk: bureublad omgeving. Een desktop environment, afgekot: DE, in het Nederlands: desktopomgeving, laat zich het best beschrijven als een grafische schil rond een besturingssysteem. In een DE kan je een applicatie starten door op een icoontje te klikken, kan je versters verkleinen, vergroten, minimaliseren of afsluiten. Een DE heeft ook een soort balk waarin de huidige actieve toepassing zichtbaar en selecteerbaar zijn en menu systeem waarmee je de beschikbare toepassingen kan vinden, starten. Een DE heeft vele hulpprogramma's (utitilies) zoals bestandsbeheerder, programma's om op een gebruikersvriendelijke wijze interfaces te configureren, starten en te stoppen (denk aan wifi, ethernet, bluetooth), en meer van dit soort handige programma's.

Bekende DE's zijn GNOME, KDE, MATE, Xfce, Unity en Cinnamon.

Distributions - Distro's

Distributies of kortweg distro's is een bundel software van (meestal) het GNU/Linux besturingssysteem, een Desktop Environment en een aantal applicaties. Voorbeelden van populaire GNU/Linux distriubuties zijn: Debian, Ubuntu, Mint, Fedora, OpenSUSE, Arch, CentOS en Puppy.

De applicaties die standaard worden meegeleverd bestaan vaak uit een webbrowser, officepakket (zoals Libre Office), een audio en video player en dat soort zaken.

De reden dat zoveel distributies bestaan komt omdat iedere distributie een ander doel nastreeft. Zo zijn er distributies die het overstappen vanuit Windows zo makkelijk mogelijk maken zoals Mint of distributies die als doel hebben dat de gebundelde software zo stabiel mogelijk is (zo weinig mogelijk fouten, maar als consequentie heeft dat het verouderde versies van de programma's zijn, die hebben immers minder fouten).

Electron

Electron is een multiplatform ontwikkeltool. Het biedt de applicatiebouwer libraries die zorg dragen voor onder andere de gebruikersinterface. Door de applicatie met Electron te bouwen hoeft er maar één versie van de applicatie ontwikkeld en onderhouden worden en is daarna bruikbaar in alle door Electron ondersteunde platformen zoals Linux, Windows en MacOs. Alteranatieven voor Electron zijn bijvoorbeeld GTK+ en Qt.

Flatpak

Flatpak is een package manager. Een van de belangrijkste eigenschappen van Flatpak is dat de programma's die je via Flatpak hebt geïnstalleerd, zonder tussenkomst van een Linux distributie kunnen worden geüpdatet.

Flatpak maakt gebruik van Flathub als centrale repository (app-store).

Fork

Open source software wordt doorgaans beschikbaar gesteld met een licentie die toestaat om de software naar eigen inzicht te wijzigen en deze gewijzigde vorm "aan te bieden / beschikbaar te stellen". De oorspronkelijke software was gratis beschikbaar gesteld en de licentie schrijft dan voor dat ook de aangepaste versie gratis wordt aangeboden én dat de broncode (source code) openbaar gemaakt wordt.

De ontwikkeling van software (uitbreiden van functionaliteit, wijzigingen van de gebruikers interface (UI), het snel verhelpen van fouten of de software zo veilig mogelijk maken) verloopt niet zoals iedereen dat wenst. Wanneer iemand, of een groep personen, vinden dat "het beter kan" of een "andere richting ingeslagen moet worden met de ontwikkeling", dan kan die persoon of groep de bestaande broncode kopieren, aanpassen en onder een andere naam beschikbaar stellen. Op dat moment bestaan er dus twee versies van dezelfde software, beiden met bepaalde eigenschappen. Die tweede aangepaste versie wordt een "fork" genoemd op de oorspronkelijke software, een splitsing van de ontwikkeling.

Een fork van software komt veel voor. Niet alleen als iemand of een groep "een andere kant op wil" en de oorspronkelijke eigenaar niet meekrijgt in hun gedachtengoed, maar ook als de oorspronkelijke ontwikkelaar of groep gestopt is met de ontwikkeling of onderhoud op de software.

Een bekend voorbeeld van een fork heeft plaatsgevonden op het officepakket Open Office. Zonder verder in detail te treden waarom, maar de meeste ontwikkelaars van Open Office "is opgestapt" en hebben gezamelijk de beslissing genomen om de software te forken en die fork op eigen houtje verder te ontwikkelen. Die aangepaste software van Open Office heet Libre Office. In het begin leken deze twee paketten als twee druppels op elkaar, maar tegenwoordig loopt de ontwikkeling van Libre Office vele stappen voor op Open Office en dat verschil begint zo groot te worden en het onderhoud op Open Office is nog maar zo gering (vrijwel alle ontwikkelaars is overgestapt naar Libre Office) dat Open Office vrijwel geen rol van betekenis speelt en het logisch lijkt dat men stopt met Open Office.

FOSS

FOSS is een afkorting van Free and Open Source Software. Het is dus software die je gratis mag gebruiken, daarnaast mag je het kopieren en (onder beperkte voorwaarden) aanpassen en opnieuw distribueren (zie fork. Dit type software wordt ook wel Open Source Software (OSS) genoemd maar OSS hoeft niet per definitie gratis te zijn, maar is dit meestal wel. FOSS maakt duidelijk dat het gratis is, gratis zoals de warmte van de zon.

fstab

fstab is een bestand dat zich bevindt in de directory /etc. In dit bestand kan je opdrachten opnemen waardoor ssd's of harde schijven automatisch tijdens het starten van Linux gemount worden. Je kan per schijf aangeven of deze als read-only of read-write benaderbaar is en waar in het filesysteem (in welke directory) de schijf beschikbaar komt en nog vele andere opties.

GNU

GNU is de afkorting van GNU is Not Unix. De oorspronkelijke bedoeling van GNU was om, van de grond af, een op Unix gelijkend besturingssysteem te maken. Dat is ook gelukt met uitzondering van de kernal. In dezelfde tijd maakte Linus Torvalds een Unix kernal die tegenwoordig de naam Linux draagt (dus Linux als Kernal, niet als naam voor het besturingssysteem). Linux was alleen maar een kernal en zonder utilities zoals GNU die had geschreven had je er niet veel aan. Op een organische manier is men Linux gaan gebruiken als kernal en de utilities van GNU, die completeerden elkaar goed en vormen samen een besturingsssteem dat je eigenlijk GNU/Linux zou moeten noemen, maar vaak kortweg (eigenlijk foutief) Linux wordt genoemd.

GTK+

GTK+ is een multiplatform ontwikkeltool. Het biedt de applicatiebouwer libraries die zorg dragen voor onder andere de gebruikersinterface. Door de applicatie met GTK+ te bouwen hoeft er maar één versie van de applicatie ontwikkeld en onderhouden worden en is daarna bruikbaar in alle door GTK+ ondersteunde platformen zoals Linux, Windows en MacOs. Alteranatieven voor GTK+ zijn bijvoorbeeld Electron en Qt.

Kernal

De kernal is de kern van een besturingssysteem. Linux is de kernal van een aantal besturingssystemen zoals Android, ChromeOS en GNU/Linux. De belangrijkste taken van een kernal zijn:

  • Zorgen dat meerdere taken (ogenschijnlijk) tegelijkertijd uitgevoerd kunnen worden (multitasking)
  • Zorgen dat meerdere gebruikers tegelijkertijd gebruik kunnen maken van één computer (overigens niet ieder kernal is multiuser)
  • Programma's (die gebruikt worden door de gebruiker) op een standaard en vereenvoudigde manier toegang geven tot de hardware van de computer zoals toetsenbord, muis, beeldscherm, netwerk, usb, schijven, e.d.
  • Toewijzen en later weer vrijgeven van intern geheugen aan taken.
  • Tijd toewijzen van de processor toewijzen een taak.
  • Prioriteren van taken die uitgevoerd moeten worden door de processor.
  • Het externe geheugen zoals hard disc, ssd en usb stick, te voorzien van een (hierarchisch) filesysteem. Een techniek waarbij je gegevens op een gestructureerde manier kan opslaan.

Library / libraries

Een library is een programma waarin veelvoorkomende functies of taken die een applicatie nodig heeft beschikbaar heeft. Een (heel simpel) voorbeeld, stel dat een applicatie het kwadraat van een getal moet uitrekenen. De schrijver van een applicatie kan er voor kiezen om in de applicatie een stuk software te schrijven die een kwadraat uitrekent. Maar er kan ook gebruik worden gemaakt van een "math-library" een stuk software waarin, in dit geval, vele wiskundige functies in uitgevoerd worden. Het voordeel om van zo'n library gebruik te maken is dat je die functies niet zelf hoeft te programmeren en dus veel tijd scheelt. Daarnaast bestaat zo'n library vaak al lange tijd en is daardoor vrijwel foutvrij.

Door als programmeur gebruik te maken van libraries kan deze zich richten op de kern van het te ontwikkelen programma en hoeft deze niet software te schrijven die feitelijk niets met de kern van het programma te maken heeft maar wel noodzakelijk is om de applicatie te laten werken.

De functies van een library kunnen aangeroepen worden / gebruikt worden door gebruik te maken van een API.

Mount / mounten

In Linux wordt, in tegenstelling tot Windows, een ssd of schijf niet automatisch ter beschikking gesteld. Wil je een schijf gebruiken dan moet deze "gemount" worden. Dat doe je met het "mount" commando.

Je kan met het mountcommando zelf bepalen waar in het filesysteem (in welke directory en met welke naam) een ssd of schijf beschikbaar komt. Maar het is gebruikelijk dit te doen in de directoy /media. Je eerste harde schijf zou je dus beschikbaar kunnen laten komen in de map /media/hd1 en je eerste ssd in de map /media/ssd1. Maar nogmaals, de keuze is aan jouw.

Je zal geen zin hebben om iedere keer dat de computer start je een mount opdracht moet geven, dat hoeft ook niet. In een bestand dat "fstab" heet, kan je opgeven dat een bepaalde schijf of ssd, met een bepaalde "id" beschikbaar is.

In Windows komt een schijf of ssd beschikbaar via een letter uit het alfabet zoals C, D, E etc. In linux "is alles een onderdeel van het filesysteem". Dus niet alleen een bestand, directory maar ook een interface (denk aan blue tooth of wifi) maar ook een ssd of schijf zal je in het filesysteem terugzien.

Open Source Software

Letterlijk: open bron programmatuur. Programmatuur waarbij de broncode openbaar en door iedere in te zien is. Doordat je de broncode kan bekijken zal het inbouwen van vreemde zaken, zoals het stelen/verstruren van persoonsgegevens, vrijwel niet voorkomen, want als dat gebeurd en de programmeur had dit "in het geheim" ingebouwd zonder dit openlijk aan te geven, zullen de gebruikers deze programmatuur de rug toe keren.

De tegenhanger van open source software is closed source software, dat is software waarbij je dus geen inzage hebt in de broncode en maar moet hopen dat de software veilig geschreven is en geen vreemd gedrag vertoont op het vlak van bijvoorbeeld persoonsgegevens. Vrijwel alle software die je kan kopen, of het gaat om Windows als besturingssysteem, of programma's zoals Adobe Photoshop of spelletjes zijn allemaal closed source software.

Open source software betekent nog niet dat dit altijd ook gratis te gebruiken is, maar vaak is dit wel het geval. Vandaar dat er een extra term is bedacht om duidelijk te maken dat het niet alleen open source is maar ook gratis, de zogenaamde Free and Open Source Software (FOSS).

In de Linuxwereld is de meeste software, inclusief Linux, FOSS.

Van Open Source Software wordt beweerd dat dit, door het open karakter, veiligere software is omdat vele naar de broncode kunnen kijken en onveilige zaken aan de kaak kan stellen. Helaas is dit niet staven, we weten immers niet hoeveel veiligheidsfouten in closed source software zit. Immers, in alle software zit fouten, maar het is moeilijk om een uitspraak te doen of het ene veiliger is dan het andere.

Haast iedere dag worden wel veiligheidsfouten ontdekt zowel in WIndows als Linux. Sommige fouten blijken al sinds jaren in Linux te hebben gezeten totdat iemand ze ontdenkt heeft. Wat opvalt is dat die delen van de open source software waar ooit een fout in gevonden is frequent nadien een aantal updates krijgt omdat "ineens" nog meer fouten ontdekt zijn. Dit komt natuurlijk dat juist iedereen speciaal naar dat deel van de software (broncode) kijkt en dit met extra aandacht bestudeerd en dan worden meer fouten ontdekt.

Realiseer dat besturingssystemen, zoals Linux uit tientallen miljoenen regels codes bestaan en het onmogelijk is, al zou het team uit duizend mensen bestaan, om in een korte tijd (maanden) alle software te controleren op fouten.

Bij open source software is het gebruikelijk dat deze "geforked" wordt en dit per definitie niet kan voorkomen bij closed source software.

Package manager

Een packagemanager is software die zorgt dat met één druk op de knop, of één commando, de door jouw gewenste applicatie installeert, up to date houdt en indien gewenst weer van het systeem verwijderd wordt. Leer meer in het uitgebreide artikel over package managers.

PPA

PPA staat voor Personal Package Manager. Dit is een mogelijkheid om buiten de reguliere package manager om applicatiesoftware te installeren. Lees meer in het artikel over PPA.

Qt

Qt (uitspraak: cute) is een multiplatform ontwikkeltool. Het biedt de applicatiebouwer libraries die zorg dragen voor onder andere de gebruikersinterface. Door de applicatie met Qt te bouwen hoeft er maar één versie van de applicatie ontwikkeld en onderhouden worden en is daarna bruikbaar in alle door Qt ondersteunde platformen zoals Linux, Windows, MacOS en Android. Alteranatieven voor Qt zijn bijvoorbeeld GTK+ en Electron.

.rpm

Een bestand dat eindigd op .rpm is een installatiebestand voor applicatiesoftware. Dit bestand wordt "uitgepakt" en geïnstalleerd door de rpm Package Manager. Software die in de .rpm versie wordt aangeboden is primair bedoeld om te gebruiken in Red-Hat en daarop gebaseerde distributies zoals Fedora.

rpm

Rpm is een zogenaamde package-manager, een stuk software die een applicatie voor je installeert. Van packagemanagers bestaan er verschillende versies, rpm wordt gebruikt in Red Hat en afgeleide Linux distributies, de apt met de bijbehorende .deb bestanden worden in de Debian en afgeleide versies van Linux gebruikt.

rpm zorgt dat een .rpm bestand uitgepakt wordt en dat de applicatie op je systeem wordt geïnstalleerd zonder dat dit invloed heeft op reeds geïnstalleerde applicaties. Tevens zorgt deze software er voor dat regelmatig gecontroleerd wordt of er een update van de applicatie beschikbaar is.

Shell

Letterlijk: schil. Een shell is een programma dat bediend wordt via een toetsenbord, vergelijkbaar met de ouderwetse terminal, dus zonder grafische elementen en toegang krijgt tot het besturingssystemen. Voor diegene die nog CP/M of MS-DOS kennen, de manier hoe je de computer destijds bediende met CP/M of MS-DOS is exact (functioneel) gelijk aan een shell.

Je zou kunnen zeggen dat de shell het programma is dat als eerste beschikbaar kwam om daarmee het besturingssysteem te bedienen. Later zijn er programma's gekomen die de bediening makkelijker maken met grafische elementen zoals icoontjes en knopjes en bediening met een muis. Maar alles wat je met de muis kan doen in relatie tot het besturingssysteem, kan je ook in de shell doen.

Sterker nog, er zijn een heel aantal zaken, die overigens maar weinig gebruikt worden door een doorsnee gebruiker, waarvoor geen equivalent bestaat in de grafische omgeving en je alleen maar door het intypen van commando's kan realiseren.

Om je een gevoel te geven wat je in de shell kan doen enkele voorbeelden. Het tonen van de inhoud van een directory, het maken, hernoemen en verwijderen van een directory, het starten of juist stoppen van een proces of programma, het maken van een extra gebruikersaccount en die een password geven. Maar ook zaken die met de hardware te maken hebben zoals het configureren, starten of stoppen van een interface zoals bijvoorbeeld Ethernet, Wifi of Bluetooth.

Linux gebruikers die vrijwel alles met de muis doen zullen doorgaans bij uitzondering via de shell commando's moeten invoeren. Een bekend voorbeeld is als je een upgrade (dus niet een update) moet uitvoeren van het besturingssysteem. Beheerders daarentegen gebruiken intensief de shell of maken scripts (batch programma's zoals dat in MS-DOS heette) om hun taken eenvoudiger te maken.

Van de shell bestaan er in Unix/Linux een aantal varianten waarbij een linux distributie voor een specifieke shell heeft gekozen en je dus daarmee standaard moet werken. De bekendste shell is "bash" dat staat voor "Bourne Again SHell". De eerste shell voor Unix werd geschreven door Ken Thompson, en werd "sh" (kort voor shell) genoemd. Bij de release 7 van UNIX is sh vervangen door een shell die geschreven is door Stephen Bourne en "bourne shell" wordt genoemd "bsh". Die shell was backwards compatible met de oorspronkelijke shell en voegde vele zaken toe.

In het GNU project, waarbij men een compleet nieuw vanaf de grond af Unix kloon wilde schrijven, moest ook een shell worden geschreven. Dat lukte door omstandigheden niet goed en toen is besloten om een kloon te maken van de Bourne shell (dus men heeft het wel helemaal zelf geschreven alleen 100% functioneel gelijk aan de Bourne shell) en die heeft de naam "bash" gekregen, de Bourne Again SHell (verwijzend dat men feitelijk functioneel gezien de Bourne shell heeft gekopieerd.

Snap

Snap is een package manager. Snap is ontwikkeld door Canonical, de makers van Ubuntu. Het grote voordeel van Snap is dat het geen mogelijke "afhankelijkheidsproblemen" heeft (die in de praktijk overigens niet vaak voorkomen) zoals de meeste andere package managers dit hebben zoals apt, pacman en rpm. Een applicaite die je installeert heeft dus geen afhankelijkheden met andere programma's op je systeem. Ze zullen elkaar niet verstoren. Dit komt omdat de programma's in een eigen sandbox draaien.

De installatie van een SNAP applicatie vergt geen root-rechten. Het is dus inherent veiliger dan bijvoorbeeld applicaties die met APT geïnstalleerd worden.

Ieder voordeel heeft ook zijn nadeel. Het grootste nadeel van SNAP is dat het niet "open" is. Bij Linux is alles "open" en is niemand "de eigenaar of baas die alles bepaald". Bij SNAP heeft Canonical gebroken met dit principe en is het systeem niet open en bepaalt alleen Canonical wat er gebeurd. Je bent dus afhankelijk van één partij en dat stuit vele tegen de borst. Dat heeft zelfs er toe geleid dat Linux Mint, dat een afgeleide is van Ubuntu, de SNAP software niet meelevert met Mint. Men maakt gebruik van de bekende package manager APT die wel "open" is.

Een ander nadeel van Snap is dat er meer inern geheugen en schrijfruimte nodig is voor een applicatie. Dat is wel logisch omdat applicaties normaalgesproken libraries delen, maar daardoor afhankelijkheidsproblemen opleveren. Bij Snap heeft iedere applicatie zijn eigen libraries. Het kan zijn dat op een Snap gebaseerd systeem wellicht tien keer dezelfde library is geïnstalleerd die dus niet gedeeld worden maar juist voor iedere applicatie geïsoleerd gebruikt wordt. Dat is een groot voordeel om de afhankelijkheden op te lossen, maar vraagt logischerwijs meer intern geheugen en schijfruimte.

Daarnaast worden updates zonder toestemming van de gebruiker doorgevoerd en dat is "not done" in de Linux wereld.

Een van de uitgangspunten van Snap is dat de applicatie in iedere omgeving kan draaien. De applicatie maakt geen gebruik van de desktop omgeving waar je voor gekozen hebt. De gebruikersinterface van een applicatie wordt dus niet door jouw keuze van een desktop omgeving bepaald maar door de applicatie en kan dus afwijkend zijn van wat je gewend bent.

SUDO

Het SUDO commando zorgt er voor dat een commando wat na het woord SUDO volgt uitgevoerd wordt met de systeembeheerdersrechten (root-permissies). SUDO staat voor "Switch User DO", vrij vertaalt: schakel over naar een gebruiker (hier root bedoeld) en voer uit...). Als je een commando wil uit laten voeren dat een systeeminstelling wijzigt dan heb je root-rechten nodig. Want in Linux ben je altijd als "normale" gebruiker, dus met beperkte rechten, ingelogd. Als je als systeembeheerder een commando wil laten uitvoeren heb je twee opties: 1. je schakelt over van je user-account naar de root-account met het commando SU (switch user) en na het invoeren van het root-password ben je daarna ingelogd als systeembeheerder. Dit wordt ten strengste afgeraden in verband met security en het per ongeluk uitvoeren van een commando dat desastreuse gevolgen heeft voor het systeem. 2. Je zet SUDO voor het commando dat je als systeembeheerder wil laten uitvoeren. Je blijft dan als gebruiker met beperkte rechten ingelogd maar het commando dat na SUDO volgt wordt met systeembeheerderspermissies uitgevoerd. Natuurlijk moet je het root-password invoeren. Een beetje ervaren systeembeheerder of Linux gebruiker zal altijd het SUDO commando gebruiken en nooit als root ingelogd zijn.

Super toets

De supertoets is dezelfde toets die in Windows de "windows-toets" wordt genoemd. Een toetsenbord heeft meestal twee van die toetsen aan de linker- en rechterzijde. Daarom lees je wel eens Super-L en Super-R, voor supertoets-links en supertoets-rechts.

Wine

Wine is een programma waarbij de naam een afkorting is voor WINdows Emulator. Een stuk software dat onder Linux draait en Windows emuleert. Met dit programma ben je in staat om (de meeste) Windows programma's te werken zonder dat je Windows hoeft te starten.


home­ >linux >linux glossarium

Cookies
Deze site maakt gebruik van cookies. De advertenties die u mogelijk te zien krijgt zijn "niet gepersonaliseerde advertenties van Google". Wij plaatsten twee functionele cookies: hoe vaak u deze melding getoond heeft gekregen en of u deze cookieverklaring heeft geaccepteerd. Er worden dus geen persoonsgebonden cookies geplaatst en daarom hoeven we u, in het kader van de AVG, geen toestemming te vragen alleen maar te informeren.

dat begrijp ik